Ik onder meer over begeleiden van groepen op 19-09-2019 om 10:00 uur

Gevoelens
We kunnen twee soorten gevoelens onderscheiden: gevoelens van tevredenheid en gevoelens van ontevredenheid (onvrede). Wat wij voelen kunnen we ervaren in ons lichaam. Daarnaast delen wij in contact met anderen een gemeenschappelijke gevoelsruimte. Naast het elkaar bijvoorbeeld kunnen horen, zien en ruiken kunnen we elkaar ook aanvoelen. Een voorbeeld daarvan is de collectieve spanning die soms voelbaar is in een groep als mensen elkaar voor het eerst ontmoeten. ‘Het ijs breken’ duidt op het verminderen van deze spanning door bijvoorbeeld een grap te maken. Naast onze eigen gevoelens kunnen we dus ook die van anderen aanvoelen en beïnvloeden. Zo kunnen we via de gevoelsruimte door onze innerlijke rust, bijdragen aan de rust van anderen.

Tevredenheid is een natuurlijke toestand. We voelen ons tevreden tenzij we ontevredenheid in onszelf veroorzaken. Gevoelens van tevredenheid zoals rust, liefde, dankbaarheid, etc. gaan gepaard met ontspanning en openheid. Ze maken vanzelf een aangename verbinding met anderen mogelijk. We veroorzaken gevoelens van ontevredenheid zoals verdriet, irritatie, angst, etc. in onszelf wanneer we iets afwijzen. Ontevredenheid gaat gepaard met spanning en vernauwing.

Afwijzen
Als ik wil dat iets nú anders is dan hoe nú is dan wijs ik iets af. Ik wil dan eigenlijk iets onmogelijks, iets dat in strijd is met de realiteit van dit moment. Dit is voelbaar als een gevoel van ontevredenheid, van spanning en vernauwing. Het kan zijn dat ik iets mis of dat er juist iets is waar ik vrij van wil zijn. De gewenste of juist ongewenste situatie kan betrekking hebben op het verleden, het heden of de toekomst. Als ik ontevredenheid ervaar en dus iets heb afgewezen dan brengt aanvaarden mij terug bij tevredenheid. Je vindt meer over aanvaarden onderaan deze pagina. Als ik de oorzaak van mijn onvrede voor mijzelf houd dan voorkom ik dat ik deze toeschrijf aan anderen en dat ik mijn onvrede verder communiceer aan mijn omgeving. Als ik deze waarheid herken dan gaat dit gepaard met het loslaten van de afwijzing en het opheffen van de spanning die er het gevolg van was. Als ik iets afwijs dan duidt dat op iets wat ik wil.

Omgaan met afwijzing door anderen
Als iemand met mij een verhaal deelt waarin hij zijn onvrede over een bepaalde situatie uit, dan wil ik dat mijn reactie bijdraagt aan zijn tevredenheid. Zijn tevredenheid draagt overigens ook bij aan de mijne omdat we verbonden zijn via de gevoelsruimte. Elke vorm van onvrede ontstaat door afwijzing. Het herkennen van deze waarheid en het toepassen ervan op levenssituaties leidt tot meer tevredenheid. In mijn communicatie met anderen wil ik dit inzicht versterken waar ik dat passend acht.

Wat een mens deelt met anderen, versterkt hij in zichzelf en bij anderen die dit herkennen. Als iemand iets deelt waarbij de omstandigheden de oorzaak in plaats van de aanleiding voor het leed zijn, dan versterkt die hij machteloosheid in zichzelf en in zijn gehoor. Het zou bij kunnen dragen aan de tevredenheid van de ander wanneer hij zou inzien waar hij zijn persoonlijke reactie op de situatie zelf creëert door zijn afwijzing. Hierover in gesprek gaan heeft echter alleen zin wanneer de ander open staat voor deze zienswijze. De omvang van het leed en de mate waarin het leed is ingesleten spelen hierbij ook mee.

In alle gevallen kan ik de ander helpen contact maken met het verlangen van de ander dat is gefrustreerd. Een afwijzing duidt op een verlangen naar een tegendeel. Wat wilde de ander en is dat misschien op andere manieren te bereiken? Als iemand bijvoorbeeld een superieure houding afwijst, dan wil men bijvoorbeeld gelijkwaardigheid.

Waarnemen
Als ik verwoord wat iemand doet of heeft gedaan dan wil ik daarbij bij de feiten blijven. Ik wil mijn interpretaties over de feiten achterwege laten. Als ik feiten benoem, dan is er grotere kans dat we het eens zijn. Als ik bijvoorbeeld zou zeggen dat ‘een huisdier verliezen heel pijnlijk is’ dan is dat mijn eigen mening en geen feit. Wat voor de ene persoon geldt, hoeft immers niet voor de ander te gelden. De reactie van de betrokken persoon heeft er alles mee te maken in welke mate hij de situatie afwijst. Als ik zeg dat ik iemand ken die een hond was verloren en aangaf daar veel verdriet van te hebben gehad, dan benoem ik een feit. Een feit bevat geen subjectieve aanduidingen als goed, fout, klein, groot, mooi, lelijk, pijnlijk, etc. Als iets subjectief is dan kan het niet objectief zijn en al wat waar is, is objectief. Waarnemingen zijn dus objectief.

Communiceren van gevoelens
Wij communiceren in stilte vanzelf onze gevoelens middels de gedeelde gevoelsruimte die anderen in meer of mindere mate kunnen aanvoelen. Ook spelen onze gevoelens een rol in onze non-verbale communicatie of lichaamstaal en beïnvloeden ze wat we uiten. Als ik ontevredenheid ervaar dan zie ik dat als een les in aanvaarding die voor mij verborgen ligt in de onvrede. Mochten we toch onze onvrede om de een of andere reden willen delen met de persoon die aanleiding was voor onze onvrede dan zijn er enkele aandachtspunten die eraan bijdragen dat de communicatie op een verbindende manier verloopt.

We kunnen gevoelswoorden gebruiken die iets zeggen over óns gevoel zonder dat we een ander ermee afwijzen. Bijvoorbeeld: ‘ik voel me verdrietig’. Daarbij is ook van belang hoe we de aanleiding van ons verdriet verwoorden. Als ik zeg ‘Ik voel mij verdrietig omdat jij de afspraak afzegde’, dan schrijf ik de oorzaak van mijn verdriet toe aan het gedrag van een ander terwijl dit slechts de aanleiding was. In de uiting ‘Toen jij de afspraak afzegde voelde ik mij verdrietig omdat ik zo’n zin had om je te zien’, koppel ik mijn gevoel aan wat ik wil, verlang of wens.

Bij het verwoorden van onze gevoelens wil ik het gebruik van pseudogevoelens voorkomen omdat deze eerder onvrede bij de ander oproepen dan bij het verwoorden van gevoelens.

Pseudogevoel
Als we ons gevoel willen uiten en onze woorden gaan niet over een gevoel dat wij hebben maar over iets dat wij ervan vinden (denken) dan noemen we dit een pseudogevoel. Als we bijvoorbeeld zeggen ‘ik voel me niet serieus genomen omdat jij onze afspraak hebt genegeerd’, dan bevat mijn uitspraak een tweetal vergissingen. Zo duiden de woorden ‘niet serieus genomen’ en ‘genegeerd’ op een afwijzing van het gedrag van de ander in plaats van ons gevoel en een objectieve waarneming. Ik maak dan aannames over de motieven van een ander op grond van zijn gedrag en dat wijs ik bovendien af. Taal bevat meer pseudogevoelens met een dergelijk beschuldigend karakter.

Willen
Als ik iets wil dan wil ik dat er iets verandert. Mijn wil kan richting geven aan mijn handelen waarmee ik dat wat ik wil kan proberen te realiseren. Een ander woord voor wil is verlangen, wens of behoefte. Als ik iets wil veranderen dan kan ik dat het meest effectief doen vanuit innerlijke rust. Wanneer ik onvrede ervaar over de huidige toestand dan heb ik eerst iets te aanvaarden om innerlijke rust te krijgen. Vanuit innerlijke rust kan ik iets veranderen. Het móet dan niet veranderen en zeker wanneer ik iets wil veranderen in de omgang met mensen dan komt dit de ruimte voor vrijwillige medewerking ten goede.

Hoe geef ik aan wat ik wil?
Als ik iets wil realiseren waar ik de medewerking van anderen voor nodig heb, dan vind ik het volgende behulpzaam. Ten eerste wil ik bereid zijn om te aanvaarden dat de ander mijn verzoek om medewerking weigert. Wat mij hierbij helpt is om te realiseren dat er altijd meer wegen zijn om een wens in vervulling te laten gaan. Ik kan mij daarin dus flexibel opstellen. Het gevoel van spanning of ontspanning waarmee ik anderen benader deel ik in de gevoelsruimte. Als mijn bijdrage daarin rust is, dan kan ik er nog meer op vertrouwen dat de ander zijn keuze vanuit vrijheid maakt. Dat komt de kwaliteit van de relatie ten goede. Aanvaarding van de ‘nee’ van een ander geeft rust.

Bij het doen van verzoeken waarin ik anderen om medewerking verzoek zijn er enkele aandachtspunten. Ten eerste wil ik mijn verzoek als een vraag verwoorden in plaats van een eis. Een vraag eindigt op een vraagteken en heeft een andere intonatie dan andere uitingen. ‘Wil je om tien om elf weer terug zijn?’ Een vraag biedt ruimte aan een ander om te antwoorden. Een eis biedt die ruimte niet en is een mededeling ‘Jij bent hier weer om tien over elf!’. Een eis duidt op een gebrek aan aanvaarding wanneer de eis niet wordt ingewilligd.

Als ik een vraag uit, dan wil ik mijn vraag positief verwoorden. Het woordje ‘niet’ ontbreekt dan. In plaats van ‘wil je niet meer te laat komen?’ kunnen wij ook vragen ‘Wil je op tijd komen?’. Positief gestelde vragen richten de aandacht positief. Anders richten we de aandacht van de ander juist daarop, waar we het niet willen. Bovendien is het de ander duidelijker wat wij wel willen. Welke duidelijkheid heb je bijvoorbeeld, als je een treinconducteur op het perron vraagt vanaf welk perron de trein naar Amsterdam vertrekt en zijn antwoord is ‘niet vanaf perron 3’?

Als ik een vraag concreet formuleer dan draagt dit ook bij aan duidelijkheid. De vraag ‘Ontmoet ik jou om half vier weer hier?' is concreter dan 'Ontmoet ik jou straks weer hier? bijvoorbeeld.

Wanneer parkeer ik als begeleider vragen in een groep?
Een groepsgesprek heeft een rode draad. De rode draad bestaat uit de vraag die op dat moment centraal staat in de groep. Wanneer iemand iets uit wat geen antwoord is op de vraag die de focus heeft of een vraag over wat hierover besproken is, dan kan ik deze parkeren om bij te dragen aan de effectiviteit en overzichtelijkheid van het groepsproces.